Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

De archieven op naam van vrouwen in de collectie zijn die van Margaret Staal-Kropholler, Lotte Stam-Beese, Bé Niegeman-Brand, Elsbeth Bout-van Blerkom, Lida Licht-Lankelma, Lica Hafkamp-Cosijn, Cora Nicolai, Nel Verschuuren, Nathalie de Vries (MVRDV), I.G. Bekker-Kok, Nel Klaasen, Koos Pot-Keegstra, Luzia Hartsuyker-Curjel en Catharina Boeree. Daarnaast is er verspreid materiaal van onder andere Winka Dubbeldam, Mien Ruys, Caroline Bos (UN Studio) en Sabine de Kleijn (Herk & De Kleijn).

Als het gaat over ‘vrouwen in het archief’ komen vaak dezelfde namen bovendrijven: Cora Nicolaï, Margaret Staal, Lida Licht, Lotte Stam-Beese of Jacoba (Koos) Pot Keegstra. Ter gelegenheid van Internationale Vrouwendag zijn nu eens de minder bekende architectenarchieven van vrouwelijke architecten boven tafel gehaald: die van Luzia Hartsuyker-Curjel en Elsebeth Bout-van Blerkom, en het dossier van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid uit 1898. Daaruit blijkt dat óók het netwerk van vrouwelijke architecten uitgebreid was en werd ingezet bij tal van belangrijke projecten. Ze laten tevens zien dat vrouwen zowel in hun ontwerpen, maar ook in plannen voor stedenbouw of beleid vol durf en daadkracht te werk gingen juist in een tijd waarin dat nog niet zo vanzelfsprekend was.

Aan de Scheveningseweg in Den Haag werd speciaal voor deze expositie een gebouw ontworpen en in anderhalf jaar tijd neergezet. Voor het ontwerp werd aanvankelijk een vrouwelijke architect gezocht, maar niet gevonden. De opdracht werd gegeven aan J.J. van Nieukerken, van wie Het Nieuwe Instituut het archief beheert. De vraag is echter of het ontwerp wel alleen aan Van Nieukerken toegeschreven mag worden. Van Nieukerken heeft het ontwerp namelijk ook op naam van een collega bestuurslid gezet: Marie Jungius (1864-1908). Op de definitieve ontwerptekening staat “Ontwerp van Mej. Jungius” geschreven. Waarschijnlijk is Van Nieukerken verantwoordelijk geweest voor de vormgeving van het gebouw en Jungius voor de ontwikkeling van het Programma van Eisen (PVE) en de ruimtelijke indeling van de plattegrond. Jungius was medeorganisator van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid en de grondlegger van het Nationaal Bureau voor Vrouwenarbeid. Tevens publiceerde ze en gaf ze lezingen over tal van sociaal maatschappelijke kwesties, zoals de verbetering van leefomstandigheden van kinderen en de werkomstandigheden van vrouwen.

Het uiteindelijke ontwerp toont een tentoonstellingsgebouw met een langgerekte, symmetrische plattegrond en met een omvangrijk binnenterrein. De exporuimten zijn aan de buitenzijde van het complex gegroepeerd en worden met galerijen aan de binnenzijde ontsloten. De objecten, documenten, voorwerpen, rapporten, machines en de andere tentoongestelde zaken werden waarschijnlijk door Jungius samengesteld in samenwerking met andere leden van het organiserende comité. Dit gebouwdossier toont vooral dat de positie van de vrouw in de Nederlandse architectuurgeschiedenis om meer gaat dan alleen de formele positie van (interieur)architect, maar dat vrouwen ook andere rollen en taken hadden binnen een ontwerpproces.

Tijdens de speurtocht door haar archief vielen vooral een reeks houten maquettes van treinstellen op die Bout-van Blerkom maakte voor Werkspoor. Vanaf 1950 was ze hier werkzaam samen met haar compagnon Deenik-Boks. Ze begonnen met het ontwerpen van kantoorinterieurs maar later ook treininterieurs en andere industriële producten. De samenwerking met Werkspoor verliep zo goed dat Bout-van Blerkom gevraagd werd de locomotief te ontwerpen voor de internationale Trans Europe Express (TEE). In 1957 werd haar ontwerp gerealiseerd.

In 1955 begonnen Bout-van Blerkom en Deenik-Boks aan een vijf jaar durend project: het interieur van het GAK-kantoor, het voormalige kantoorgebouw van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) aan het Bos en Lommerplantsoen in Amsterdam-West. Het werd tussen 1957 en 1960 gebouwd en was bij de opening op 1 september 1960 een van de grootste en modernste kantoorgebouwen van Nederland. Het GAK-gebouw is het laatste grote bouwwerk en tegelijk een hoogtepunt in het oeuvre van architect Ben Merkelbach (1901-1961), stadsbouwmeester in Amsterdam van 1956 tot 1961. Door het warmteabsorberend groene glas over de gehele gevel kreeg het gebouw al vanaf het begin de bijnaam het 'Aquarium'. De groenvoorzieningen rond het gebouw zijn ontworpen door tuinarchitect Mien Ruys (1904-1999) en architect H. Hartsuyker.

De Hartsuykers namen in Nederland een aparte plaats in. Zij keken met bewondering en verbazing naar de manier waarop in Nederland de sociale woningbouw tot stand kwam. Zij waren doordrongen van het belang van nieuwe ontwikkelingen in de architectuur zoals het functionalisme, waarvan ook in Nederland talrijke goede voorbeelden te vinden zijn. De wijze waarop deze stroming in de sociale woningbouw tot uiting kwam, door bijvoorbeeld tot op de millimeter uit te rekenen hoeveel een mens aan ruimte nodig heeft, en door de strikt doorgevoerde scheiding van functies met de daarbij behorende regelgeving, kon minder op hun waardering rekenen. Dit botste met hun gevoel voor ruimtelijke dynamiek.

In het kader van het omvangrijke restauratie- en conserveringsproject Architectuur Dichterbij zijn er nu zo’n 3000 tekeningen van Hartsuyker in behandeling bij een restauratieatelier.

 

Tekst: Eline de Graaf (conservator), Joke van Brakel (bibliothecaris), Hetty Berens (conservator) en Setareh Noorani (Research).