Accepteer cookies om deze inhoud in te laden.

Het archief van Vegter strekt zich uit vanaf zijn opleidingstijd aan de TH Delft (1925) tot en met de periode waarin hij samenwerkte met zijn zoon Chris Vegter (1974). Vegter studeerde tussen 1925 en 1932 aan de TH Delft, waar hij gevormd werd door de opvattingen van de hoogleraren H.J. Evers en M.J. Granpré Molière. De toepassing van de Beaux-Arts ontwerpmethode (de groepering van vleugels rondom een binnenplaats), de voorliefde voor representatie, ornamenten en symbolen zijn schatplichtig aan deze vorming en blijven zijn gehele oeuvre kenmerken. De invloed van de stedenbouwkundige praktijk van Granpré Molière, waarin stadsuitbreidingen de bestaande structuren van het landschap volgen, is bijvoorbeeld zichtbaar in zijn uitbreidingsplannen van Harlingen (1942-1960).

Man van twee generaties

Het archief laat een architect zien die zich vooral als ontwerper en stimulator manifesteert en niet zozeer als theoreticus en publicist. Zijn belangrijkste ontwerpen, zoals het Gelders Provinciehuis in Arnhem (1955) en de Wederopbouw van de Grote Markt in Groningen (1952-1962) ontstaan in de periode dat het Nederlandse architectuurdebat wordt beheerst door een theoretische richtingenstrijd tussen de Delftse School en het Functionalisme. Als derde richting treedt in 1959 een nieuwe redactie van het tijdschrift FORUM aan met een vurig pleidooi voor de herintroductie van de menselijke maat en van de culturele en humanistische waarden in de architectuur. Vegter is binnen deze vakdiscussie een man van twee generaties: inhoudelijk is hij gevormd in de jaren twintig, tegelijkertijd is Vegter ook een kind van de wederopbouwgeneratie door de toepassing van eigentijdse bouwtechnieken en materialen, abstrahering van de architectonisch vormentaal, plastische toepassing van beton en integratie van eigentijdse kunst.

De intellectuele ‘verovering’ van Friesland

Het particuliere archief van Vegter is een prachtige bron voor studie naar de verwerking van de theoretische kennis die hij opdeed aan de TH Delft en de toepassing daarvan in de Friese bouwtraditie. Als Vegter in 1935 zijn architectenbureau in Leeuwarden begint is de Afsluitdijk net geopend. Mede hierdoor raakt Friesland steeds meer uit haar isolement, komt verstedelijking op gang en ontstaat behoefte aan recreatievoorzieningen. Vegter introduceert de ontwerpmethoden van de TH Delft in Friesland, via zijn uitbreidingsplannen maar ook via zijn docentschap aan de MTS in Leeuwarden. Het archief van Vegter laat zien dat de provincie aantrekkelijk is om te experimenteren en specifieke oplossingen vraagt vanwege de sterke contrasten tussen de stad en het platteland. Het archief toont zijn studie naar ontwerpen van zomerhuisjes in Tietjerksteradeel. Zijn opvatting dat het nieuwe zich in harmonie met het bestaande moet ontwikkelen leidde tot richtlijnen voor recreatiehuisjes: lage nokhoogte, horizontaal gevelbeeld, omgeven door bomen, met natuurlijke bouwmaterialen en op ruime afstand van elkaar gelegen.

Opbouw van de verzorgingsstaat

Het archief van Vegter documenteert de opbouw van de naoorlogse verzorgingsstaat door de Nederlandse overheid over de volle breedte vanwege de veelzijdigheid van het oeuvre. Vanaf de vestiging van een eigen bureau tot en met zijn pensionering in 1971 als Rijksbouwmeester ontwerpt en bouwt Vegter een breed scala aan gebouwtypologieën: stadhuizen, allerlei soorten kantoren en bedrijfsgebouwen, ouderenhuisvesting, weeshuizen, hospitia, gezondheidscentra, scholen, recreatiegebieden, waterleidingbedrijven, sociale woningbouw en particuliere villa’s. Bij iedere opgave zoekt hij de grenzen tussen de stedenbouwkundige situatie, het landschap, de architectuur, het interieur, de meubels en stoffering en de psychologische verrijking met eigentijdse kunst. Deze ontwerphouding blijkt bijvoorbeeld uit de aanbeveling om behang van behangfabrikant Rath & Doodeheefver te gebruiken in het Rusthuis ‘Boskrânne’ in Sint Nicolaasga (1958). Ook de uitgebreide correspondentie met kunsthistoricus, -criticus en toenmalig directeur van het Kröller-Müller Museum A.M.W.J. Hammacher over de toepassing van eigentijdse kunst in het Gelders Provinciehuis (Arnhem) is een veelzeggende bron.

Visie op het Rijksbouwmeesterschap

Na zijn benoeming tot Rijksbouwmeester in 1958 hield Vegter zijn particuliere architectenbureau in Leeuwarden aan omdat hij vond dat hij als Rijksbouwmeester voortdurend gevoed moest worden met kennis en ervaring uit de praktijk. Vegter was de eerste Rijksbouwmeester ‘Nieuwe Stijl’, die dit ambt combineerde met een zelfstandige architectuurpraktijk. Daardoor zijn dit particuliere archief en zijn nalatenschap als Rijksbouwmeester, beheerd door het Nationaal Archief, nauw met elkaar verbonden. Vegter had een uitgesproken visie op het Rijksbouwmeesterschap, die zichtbaar is in zijn particuliere ontwerppraktijk. Hij dichtte aan de Rijksbouwmeester een voorbeeldfunctie toe voor het bewerkstelligen van architectonische kwaliteit en hij nam als Rijksbouwmeester verschillende rollen op zich: als ontwerper (al dan niet in samenwerking met anderen), als stimulator, regisseur, adviseur, supervisor en als autoriteit die de locatie en de architect van nieuwbouw of renovatie bepaalt. Zijn particuliere archief is niet alleen een rijke bron voor onderzoek naar twintigste-eeuwse ontwerpcultuur maar ook een weerspiegeling van zijn Rijksbouwmeesterschap. De verbreding van de percentageregeling beeldende kunst die hij als Rijksbouwmeester doorvoert en de samenwerking met beeldend kunstenaars in zijn eigen werk is hiervan een voorbeeld. Daarbij komt door het aanhouden van de eigen praktijk de Rijksgebouwendienst onder een directere invloed te staan van de dagelijkse ontwerppraktijk en vernieuwingen in ontwerp en bouwtechniek. Vegter experimenteert bijvoorbeeld met prefab betonconstructies in zijn particuliere ontwerpen, die hij later toepast in de nieuwbouw van het Ministerie van Financiën (i.s.m. M. Bolten, J.C.M. Franken en F. Sevenhuysen, Den Haag, 1970-1975).

Betekenis voor de collectie

De verwerving van het archief van Jo Vegter betekent een belangrijke verrijking van de collectie van Het Nieuwe Instituut. Zijn archief werpt een nieuw licht op de verspreiding van kennis van de stedenbouwkundige en architectonische praktijk vanuit de architectuuropleidingen in de Randstad in de meer perifeer gelegen gebieden zoals Friesland. Zijn nalatenschap ondersteunt eveneens toekomstig onderzoek naar de intellectuele wisselwerking tussen het Rijksbouwmeesterschap en de individuele beroepspraktijk. Vegter creëerde ontwerpen en gebouwen met een heel eigen signatuur. Zijn ontwerpen zijn altijd geënt op de lezing en interpretatie van de stedenbouwkundige en landschappelijke situatie, kennis van de mensen die het gebouw zullen gebruiken en de formele, materiële en culturele kwaliteiten van de plek en de functie van het gebouw. Hij streeft naar een brede ontwerpcultuur waarin natuur, bouwtechniek en kunst zijn verweven. Deze integrale benadering en pluriformiteit zijn aspecten van een ontwerpcultuur, die ook bij de keuze van een nieuwe rijksbouwmeester nog altijd inspirerend kunnen werken. Naast deze relevantie voor het onderzoek, biedt het archief van Vegter een prachtige kans om verhalen over de Nederlandse ontwerpcultuur te vertellen met authentieke documenten.

Wederopbouwarchieven

Het archief van Jo Vegter betekent ook een substantiële aanvulling op de al verzamelde wederopbouwarchieven van Het Nieuwe Instituut. Het is zowel een verrijking als een verbijzondering van de naoorlogse archieven van architecten als J.H. Van den Broek en J.B. Bakema, M.F. Duintjer, Jos. Bedaux, J.W.C. Boks en J. F. Berghoef. Het archief betekent de versteviging van de traditie van de Delftse School in de collectie en nuanceert de clichématige tegenstelling tussen traditioneel en modern. Het archief van Vegter toont een meer fluïde en simultaan geschiedbeeld, en laat zien dat innovatie en moderniteit geen eendimensionale en autonome verschijnselen zijn maar geworteld zijn in een bestaande ontwerpcultuur.

De nalatenschap van J. Vegter is niet in zijn geheel verworven. Er is van te voren een selectie gemaakt en getoetst aan de verzamelthema’s van het acquisitiebeleid om zo de verzamelde archieven meer maatschappelijke relevantie te geven en toekomstige onderzoeksvragen te ondersteunen. Het archief wordt op dit moment geconserveerd en beschreven. In het najaar van 2015 zal het toegankelijk zijn voor publiek.

Meer lezen?

S. Fischer, M. Kuipers, Ir. J.J.M. Vegter (1906-1982) architect rijksbouwmeester (1958-1971) stedenbouwkundige, Tresoar Fries Historisch en Letterkundig Centrum, Leeuwarden, 2012

C.J. van der Peet, G.H.P. Steenmeijer et al., De rijksbouwmeesters. Twee eeuwen architectuur van de Rijksgebouwendienst en zijn voorlopers, Rotterdam, Uitgeverij 010, 1995

Ellen Smit, Erfgoed