Het verhaal van een andere tekenwijze

Tijdens archiefonderzoek voor de tentoonstelling Structuralisme, naar het werk van architecten als Piet Blom, Jan Verhoeven en Herman Hertzberger, kwamen tekeningen tevoorschijn die anders waren dan de gebruikelijke plattegronden, doorsneden en perspectieven. In plaats daarvan: abstracte structuren, geometrische patronen met felle kleuren, visualisaties van netwerkachtige steden en grids, collages en pamfletten. Uit nieuwsgierigheid naar de oorsprong en betekenis van deze tekeningen, startte conservator Ellen Smit met een Museumbeurs van NWO een onderzoek. Wat tekenden deze architecten nu precies, en waarom op deze manier?

Het doel van het onderzoek was om de structuralistische ontwerptekening beter te kunnen duiden. Dit heb ik gedaan via de bestudering van het teken- en ontwerponderwijs en de analyse van deze tekeningen in het ontwerpproces.

Zo’n onderzoek vergroot niet alleen de kennis over architectuurtekeningen, maar ook over het structuralisme. Niet het uitgevoerde gebouw staat centraal in het onderzoek, maar juist het ontwerp- en denkproces dat er aan voorafgaat. Hierin spelen tekeningen en andere architectonische representaties een grote rol. Vanuit dit perspectief wilde ik kijken of ik tot een andere visie zou komen op het Nederlands structuralisme. Ook wilde ik dichter bij de vraag komen hoe en langs welke lijnen de vernieuwing in een architectonische cultuur verloopt.

Ik heb onder andere onderzoek gedaan naar wat ik zelf noem ‘de achterkant’ van het structuralisme: de periode die voorafgaat aan 1966, het jaar waarin de term voor het eerst werd gepubliceerd. Ik heb uitvoerig gekeken naar het teken- en ontwerponderwijs aan de Academie van Bouwkunst in Amsterdam over de periode 1954-1965, omdat daar de architecten van mijn onderzoek zijn opgeleid of docent waren. Ook heb ik breder gekeken naar het Nederlandse teken- en ontwerponderwijs, bijvoorbeeld via onderzoek in de tijdschriften van de ‘Nederlandse Vereniging voor Tekenonderwijs’, diverse instructieboeken over architectonisch tekenen en catalogi van tekeninstrumenten. Je ziet en leest dan veel over ‘het zoeken naar de betekenis van een structuur’ en over het belang van relativiteit en gelijktijdigheid, maar ook over kleurenleer, biologie, culturele antropologie en beeldende kunst. Zo wordt een ontwerpcultuur veel rijker en multidimensionaal. Minder eenduidig, maar ook interessanter. Ik merkte dat de architecten van mijn onderzoek hun eigen ontwerptraditie steeds weer opnieuw naar hun hand zetten. En dat zij via het teken- en kunstonderwijs externe disciplines als kunst, biologie en culturele antropologie  verinnerlijkten die de vernieuwing van een structuralistische ontwerpcultuur stimuleerden.

Cartografische en stedenbouwkundige tekenmethodes deden hun intrede in het ontwerp, zoals het gebruik van gecodeerde kleuren en legenda’s.

Piet Blom experimenteert hier bijvoorbeeld heel duidelijk mee in zijn ontwerp voor het Pestalozzi Kinderdorp dat hij inzond op de Prix de Rome (1962). De vergrootte schaal van de ontwerpopgave en de ambitie van de ontwerpers om de scheiding tussen architectuur en stedenbouw op te heffen, waren eveneens een factor van belang. Daarbij speelden natuurlijk ook de ontwikkelingen in de grafische industrie een rol, zoals de beschikbaarheid van kleurenviltstiften op de markt door de introductie van de ‘magic marker’ in 1952 en de kleurenviltstift vanaf 1962. Er zijn verschillende wijzen van structuralistische visualisaties. De structuralistische weergave heeft als karakteristieken het visualiseren van een integrale ruimte, het weergeven van meerdere kijkrichtingen (standpunten), een suggestie van oneindigheid en uitbreidbaarheid. Dit komt tot uitdrukking in verschillende typen tekeningen: de ruimtelijke projectie, de horizontale doorsnede met kleur, het driedimensionale grid, de hybride tekening en de narratieve tekening.

De resultaten van het onderzoek zullen in de loop van de komende jaren zichtbaar worden gemaakt in diverse projecten.

De structuralistische tekening zou onderdeel kunnen zijn van het grotere onderzoeksproject Total Space. Een digitale tekeningencatalogus die online beschikbaar is, is een serieuze optie. Veel tekeningen zijn voor dit onderzoek gedigitaliseerd en nu al online raadpleegbaar. Verder zijn publicaties mogelijk die zijn gechreven vanuit een andere invalshoek of deelpublicaties die dieper ingaan op een aspect van het onderzoek. Een klein artikel is al verschenen als bijlage van het tijdschrift Volume. De kennis van deze tekeningen is verder een waardevolle basis voor conservering en restauratie, omdat veel tekeningen uit deze periode zeer kwetsbaar zijn. We willen bijvoorbeeld onderzoeken hoe we omgaan met de conservering van viltstift, dat heel erg snel verbleekt. Een andere ambitie is om het onderzoek zichtbaar te maken in het onderwijs. Dat is begin 2017 al gebeurd via een werkcollege met studenten Architectuurgeschiedenis van de Vrije Universiteit in Amsterdam.

Dit type onderzoek is een vliegwiel om naar andere, bredere en diepere onderzoeksvragen te kijken. Het is niet zo dat je na zes maanden onderzoek geen vragen meer hebt. We zouden nog veel meer onderzoek kunnen doen naar de invloed van andere disciplines, zoals de biologie, de beeldende kunst en de culturele antropologie op het Nederlands structuralisme. Ook is de rol en betekenis van de internationale context op het structuralistisch denken interessant. Door te kijken naar het ontwerpproces en het teken- kunst- en architectuuronderwijs heb ik een nuance aangebracht op de historische context van het Nederlands structuralisme. Door juist naar deze processen en ontwikkelingen te kijken, blijkt dat de architectonische representatie van het structuralisme geen geïsoleerd fenomeen is en gerelateerd is aan de beeldende kunst en het architectuur- en kunstonderwijs in de begin jaren van de twintigste eeuw. Het onderzoek laat daarmee zien dat een nieuwe verhouding tot oudere kennis en kunde uit het verleden een rol speelt in de vernieuwing van een architectonische cultuur.